Hemelse modder

Ik wil net een ketting van mijn sieradenstandaard pakken als ik, in eerste instantie, schrik van een zwarte vlek die langs mijn hand strijkt. Als ik beter kijk zie ik een vlinder, de vleugels tegen elkaar. Ik neem haar voorzichtig in mijn hand, ze beweegt niet. Is ze dood? Nee, haar kleefvoetjes pakken mijn huid. Onhandig overwinterplekje. 

Ik zet haar op de vensterbank. Wat te doen? Ze slaat haar prachtige vleugeltjes open en ik zie dat één ervan onherstelbaar beschadigd is. Overwinteren gaat haar niet redden. Buiten zetten voelt wreed, met al die regen en wind. Ik bedenkt een passende binnenhuis herfstplek: m’n altaartje, waar, passend bij de tijd van het jaar, allerhande herfstrelikwieën liggen.

Ik schuif haar voorzichtig van mijn hand op een beukenhouten stokje. Ja, dit is haar thuis voorlopig. Een paar dagen later ben ik haar kwijt, maar als mijn ogen gewend zijn aan de vijftig tinten bruin in de brede glazen vaas, zie ik haar verstopt tussen de hazelnootbloemen, kastanjeprikkels en beukennootjes. Ze ligt op haar zij. Overgegaan?

Ik steek de kaars op het altaartje aan en ga aan mijn bureau wat schrijfwerk doen. Niet veel later hoor ik geknisper. Als ik opkijk zie ik de vlinder langs de wand van de vaas voorzichtig fladderen. Ze leeft weer! Ik glimlach en maak mijn tekst af. Dan ga ik douchen.

Als ik terugkom zie ik dat de kaars uit is. En als ik het altaar nader, kan ik mijzelf wel voor mijn kop slaan. De vlinder is verdronken in de zachte warme was; haar lijfje heeft het vuur van het lontje gedoofd … Verslagen vraag ik mijzelf af hoe ik zo stom heb kunnen zijn. Ik sta er een moment bij stil. De beschadigde vleugel was natuurlijk al haar doodvonnis. De dood zou haar hoe dan ook komen halen. 

Ik denk terug aan afgelopen weekend, waarin ik voor het eerst -en op indrukwekkende wijze- hoorde van de mythe van Innanna en de afdaling naar de onderwereld. Ook ik ging naar mijn onderwereld. Een wereld vol modder, mijn duistere kanten. Maar ook de plaats waar mijn essentie te vinden is. Want ‘als je troebel water met rust laat, wordt het vanzelf weer helder’. Het troebele zakt tot een stevige bodem en het kraakheldere water weerspiegelt de hemel.

Ik schrijf over het vlinderrelaas aan mijn Maanzusters. Hun reacties helpen mij inzien hoe de vlinder op mijn altaar en de mythe over de onderwereld samenkomen in die modder. Bovendien wordt mij in herinnering gebracht hoe twee gevleugelde wezentjes, gevormd uit klei, Innanna uit de onderwereld komen redden. Ik heb de vlinder niet de dood ingejaagd door de kaars aan te steken, maar haar juist de kans gegeven haar beschadigde vleugel los te laten en geheeld naar de warmte en het licht te vliegen. Herboren te worden.

Van duistere onderwereld naar hemelse modder. Appeltje eitje met een vleugje magie …

Geschenk voor het leven

Het is pikkedonker, ik zie letterlijk geen hand voor ogen. Ik voel dat ik in een bos sta. Toch ben ik niet bang. Ik ontsteek het kleine lichtje dat ik bij me heb en dat in een glazen potje aan een stok hangt. Ik ga verder op pad.

Ik ben warm aangekleed. De wollen sjaal komt aan de voorkant tot over mijn neus en aan de achterkant van mijn hoofd raakt ie mijn zachte sjaal. Handschoenen houden mijn vingers aangenaam warm. M’n jas voelt als een veilige en omhullende deken.

Aan mijn voeten draag ik stevige wandelschoenen. Ik hoor hoe ze de knisperende herfstbladeren voor mij uit duwen. Het lichtje laat zien waar ik mijn voeten neerzet. Ik loop door tot ik bij een T-splitsing kom. Voor mij staat een reusachtige eik. Als ik mijn lantaarntje omhoog laat schijnen, lichten talloze oogjes op. Op elke tak van de kale eik zit een uil. Er zijn grote en kleine. Dikke en dunne. Grijze, bruine en witte. Een van hen laat zich van zijn tak glijden en komt voor mijn voeten tot stilstand.

Zonder een geluid te maken trippelt ie naar de stam van de eik. Ineens zie ik hoe daar een deurtje in zit. De uil opent hem met een van zijn vleugels en als vanzelf loop ik naar voren. Ik voel dat ik daar naar binnen moet. Voordat ik de eerste stap naar binnen zet, geeft de uil mij een heel klein sleuteltje.

Binnengekomen staan mijn voeten vrijwel meteen op de eerste tree van een wenteltrap naar beneden. Alhoewel ik mijn lantaarntje nog steeds bij me draag, reikt het licht er van veel minder ver dan eerst, en zie ik enkel een zwart gat. Angst kriebelt om mijn hart. Toch loop ik de traptreden af. Het helpt om ze te tellen. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien.

Beneden gekomen zie ik donkere wanden, een donker plafond en een donkere vloer. Als mijn ogen wat gewend zijn aan dat nieuwe duister, ontwaar ik ook een zuiltje. En op dat zuiltje staat een schatkist. Ik loop er schuifelend naartoe. Dan herinner ik mij het sleuteltje dat de uil mij gaf. Ik zet mijn lantaarntje naast het schatkistje en voel diep in de zak van mijn winterjas. Ik vis het sleuteltje eruit. 

Het schatkistje ziet er prachtig uit. Flonkerende steentjes in alle kleuren van de regenboog en zacht zilver sieren de deksel en de zijkanten. Het sleutelgat heeft de vorm van een hart. Voorzichtig steek ik de sleutel erin en draai naar rechts. Een zacht schurend geluid is het teken dat het slotje opent. Ik duw de deksel omhoog.

In het kistje blijkt nog een kistje te zitten, en daarin nog één. Alsof het matroesjkapoppetjes zijn, blijf ik slotjes opendraaien, dekseltjes omhoog duwen en nieuwe kistjes vinden. Zeven in totaal. In het laatste kistje ligt een oesterschelp. Ik neem hem in mijn handen en blaas zachtjes tegen de plek waar de twee helften tegen elkaar zitten. Als door magie geraakt, opent de schelp. En daar in het midden ligt een glanzende parel. Ik raak hem voorzichtig aan met mijn vinger. Het wordt warm om mijn hart.

Als door de bliksem getroffen krijg ik een inzicht. Ik realiseer me dat de parel van grote betekenis voor mij is en dat ie speciaal voor mij, en niemand anders, bedoeld is. Een ogenblik later sluit de schelp zich weer. Ik leg hem terug in het kleinste kistje. Dan zie ik dat op het kistje een kaartje zit, waarop staat dat dit geschenk is voor wie het vindt. Dankbaar stop ik het kistje in mijn jaszak.

De weg terug lijkt stukken lichter. Mijn lantaarntje brandt feller en de dageraad verwelkomt me boven aan de wenteltrap. Als ik buiten kom, zijn de uilen weg. De eerste roodborstjes zingen een lied. Een enkel eekhoorntje haast zich naar zijn winternest. Ik voel nog even aan het kistje in mijn jas en weet, dat dit geschenk er een voor het leven is.

Stadspareltje

Gewoontedier als ik ben, sta ik om zes uur op. Douche, wandel met de hond en ontbijt. Kleed me aan en bedenk me dat ik vandaag Grote en Kleine Zoon kan verblijden met een autoritje naar de stad in plaats van doorweekt op school aan te komen. En zo geschiedt.

Omdat we natuurlijk niet de enigen zijn die vinden dat vandaag best een verwendag is, staan we in de file op de Waalbrug. Wel gezellig, carpoolen, met de ruitenwissers en een beetje hippe house aan. De jongens zijn ondanks de file ruim op tijd op school, omdat ze het eerste uur vrij hebben. Ik kom daarentegen net niet te laat, denk ik.

Als ik, geheel tegen de gewoonte in tien minuten zit te wachten, valt het kwartje. Vandaag is mijn afspraak niet om negen, maar om tien uur. Ik besluit van de nood een deugd te maken en trek mijn jas weer aan. Ik ga een rondje door het centrum lopen.

De winkels zijn nog niet open, maar dat vind ik helemaal niet erg. Dat ik shoppen, en dan ook nog op zaterdag -als je over de koppen kunt lopen- leuk vond, daar kan ik me nu niet zoveel meer bij voorstellen. Ik geniet nu juist het meest van stille winkelstraten zonder mensen. Echt rustig is het overigens niet, want vrachtwagens rijden af en aan. En ook de schoonmakers zijn zicht- en hoorbaar aanwezig. Ze storen me niet. Ik geniet van de al voor het Sinterklaasfeest uitgestalde etalages en zie tot mijn verrassing zelfs een heuse pepernotenfabriek. En ik constateer dankbaar hoeveel ik eigenlijk heb.

Ik loop richting de Waag, en denk ondertussen na over het Sintcadeau dat ik voor mijn kleine, balletminnende nichtje wil kopen. Van de ene cadeaugedachte rol ik in de andere, want manlief is komend weekend jarig. Onbewust loop ik naar de mooie kunstwinkel die achter de Waag zit. Zat. Want nu vangt mijn oog in dat eeuwenoude pand een allerschattigste koffiegelegenheid. Ook ernaast is een winkel getransformeerd in een aantrekkelijk, want kleinschalig horecapand. Ik loop verder, besluit tot een rondje om de kerk.

En terwijl ik daar zo ‘wander’ door die eeuwenoude steegjes, langs dito pandjes, voel ik mij, met mijn sierlijk uitwaaierende bruine regenjas met grote capuchon, als Mariken van Nimwegen. Ik stel me zo voor hoe ook zij hier destijds rondliep, desalniettemin in een heel wat minder luxe positie als ik nu. Liefst zou ik even de verstilde Stevenskerk willen binnenlopen, waar binnenkort ongetwijfeld weer wereldlichtjesdag wordt georganiseerd. De deuren zijn helaas gesloten. Ik loop verder. Zie fijnbewerkte luiken bij scheve ramen, Franse lelies die de puien versieren, kinderkopjes tussen de regenplassen en een soort van middeleeuwse totempaalwachter van steen.

Ik keer terug naar de koffie in de voormalige kunstwinkel. Een bel rinkelt vriendelijk als ik de deur open. Mijn oog valt op een plekje bij de zijpui: ramen in een hoek met een extra diepe zit-vensterbank, schapenvellen en kussens nodigen me uit. Als ik net zit beland ik een eindeloos durende hoest- en proestbui, hopelijk een laatste staartje van mijn verkoudheid. Het meisje achter brengt me een ongevraagd maar zeer welkom karafje water. 

Terwijl ik daar zo zit, schrijf ik dit verhaal en ben ik in mijn nopjes met de ontdekking van dit kleine pareltje. Hier ga ik zeker nog eens naartoe. Want Downtown is voor mij een ineens een fijne ‘place to be’.

Maanmacramee tot in de hemel

O, wat verheugde ik me op het vijfde weekend van mijn MaanMagiePad. Ik zou de vijfde Poort van in totaal acht doorgaan. Deze keer was het die van de Verhalenweefster. Wel een beetje mijn ding dus.

Dit weekend ben ik de ‘sevaprinses’. Seva komt uit het hindoeïsme en betekent zoiets als onbaatzuchtige dienstverlening. In onze groep verdelen we de taken en voeren we ze allemaal ‘seva’ uit: theezetten, afruimen en afwassen, de badkamer schoonmaken, de Maantempel op orde maken en het vuur brandend houden. Dat laatste is een taak van de sevaprinses. Verder sta ik ten dienste van de andere vrouwen als ze de overige taken uitvoeren en zorg ik ervoor dat alles zoveel mogelijk op rolletjes loopt.

Bijkomend voordeel voor de sevaprinses is ‘het grote bed’. Tijdens onze weekenden overnachten we er ook. In eigen tentjes, op comfortabele matrassen op een van de zolders, of in het grote bed dus. Blij dat ik dit weekend ben met dit extraatje; ik ben snot-, maar dan ook snotverkouden. Kan dus wel een beetje welness gebruiken. Zolderraam op een kier voor frisse lucht, klamboe om mij heen voor een beetje intimiteit. Met de armen en benen over de hele breedte van het bed. En happen naar lucht als een vis op het droge. Wellicht ten overvloede: dat laatste vanwege m’n verkoudheid dus. Als bonus extra privacy: niemand die verder nog op mijn zolder wil slapen, omdat ik zo luidruchtig bacillen verspreid.

Goed, ik ging verhalen weven dus. En de anderen ook. En hoe! Een sprookje over m’n leerproces en een ander over de medicinewalk van een van mijn Maanzusters. En een visualisatie. Keer vijf. Want de anderen hebben dezelfde opdrachten vervuld. Bij elkaar opgeteld wel vijftien verhalen dus.

Naast die bijzondere verhalen, stuk voor stuk gemaakt voor en door unieke vrouwen, zijn er ook weer heel veel níeuwe draadjes om níeuwe verhalen mee te weven. Het oranje draadje van mijn magische kind, een blauwe van mijn voorouders, het groene draadje van mijn ontdekkingen in het labyrint, het rode van de totempaal en een geel draadje van de cirkel van overvloed. Zoveel draadjes, dat als ik thuiskom, er zeker geen sprake is van een veelkleurig geweven stof, maar een warrige kluwen in alle kleuren van de regenboog. Nog steeds snotverkouden en doodmoe van alle indrukken, val ik in een diepe, droomloze slaap.

Vanmorgen zet ik het weefgetouw klaar. En laat het vervolgens staan, omdat de gebruiksaanwijzing ontbreekt. Ik besluit creatief te gaan met een jarenzeventigtechniek. Ik ontrafel de kluwen van sprookjes en touwtjes zoveel als mogelijk en leg vrijgekomen draden naast elkaar. Knoop ze virtueel aan mijn maanbuideltjestak. Dan leg ik de eerste draden over elkaar heen en maak een paar knoopjes. Ik realiseer me dat van dit kunstwerk de blauwdruk ontbreekt. En dat er nog vele draadjes zullen volgen. De eerste nieuwe komt misschien vanavond alweer, bij de volle maan in Stier. Elk knoopje zal een nieuwe wijsheid zijn.  

Als ik een voorzichtig beginnetje heb gemaakt, realiseer ik me dat voor mijn maanmacramee, net als voor het leven zelf,  geldt: het gaat zowel om de reis als om de bestemming. Ik wil draadjes weven en knopen leggen tot in de hemel!

Juist nu

08.41 uur. Op CNN komt de Newsbreak dat Hillary Clinton haar concurrent heeft gebeld om hem te feliciteren met de winst in de Amerikaanse verkiezingen. Ik zit op mijn stoel genageld. Dit kan niet waar zijn. De man, die zulke nare dingen heeft gezegd over de mensen in zijn eigen land en ver daarbuiten, is gekozen tot nieuwe president van de Verenigde Staten.

Ik was niet van plan om Election Night te volgen. Maar toen ik vannacht om drie uur wakker werd en om half vier even de radio aanzette, begreep ik dat Hillary op achterstand stond en besloot ik toch naar beneden te gaan. CNN gaf met regelmatig nieuwe cijfers door en steeds weer stond Trump net een paar tienden van procenten boven haar. Tegen vijven schoot zij ineens boven hem in het totaal. 

Vanwege een sudderende verkoudheid besloot ik toch nog even te gaan slapen. Anderhalf uur later was wel duidelijk dat Democratische winst onwaarschijnlijk zou zijn. Nu zit ik te kijken naar zijn speech en ook al vind ik het stom van mijzelf: ik heb er buikpijn van en moet huilen. Huilen over wat hier gaande is, en over wat het gaat betekenen voor de hele wereld. En tegelijk denk ik aan die wijze woorden die een van mijn Maanzusters net op Facebook plaatste: More love.

Zijn speech is weinig inhoudelijk. Veel bedankjes aan ‘amazing people‘, de belofte te zullen verbinden, goed voor iedereen te willen zorgen, vrienden te willen zijn met alle landen die dat ook willen. Niet eerder zag ik hem zo. Ik hoop, ik hoop, ik hoop dat dit goed gaat uitwerken. En ondertussen houd ik me vast aan het adagium: more love, not less. Juist nu.

Spiegelnatuur

Veel wat wat ik zie, hoor en voel, blijft rondspoken in mijn hoofd en lijf. Lange tijd was ik mij dat niet zo bewust en vaak schoot (en schiet) ik in een aanpassing die teveel van het goede is. Ik ga dan helemaal op in mijn omgeving, terwijl ik zelf onzichtbaar word. Dat doet me denken aan een foto die ik een tijd geleden op internet zag. Een foto waarbij een meisje een spiegel voor zich houdt. Alleen haar gezicht, handen en benen zijn zichtbaar, de rest van haar lichaam gaat verscholen achter het spiegelbeeld van het gazon waarop ze zit. Een mooi plaatje, maar niet zo effectief om te laten zien wie zij is.

Toch zitten er ook mooie kanten aan spiegelbeelden. En dat zie ik vandaag, op de verjaardag van Kleine Zoon. Hij is inmiddels groter dan ik ben, maar als ik in zijn gezicht kijk zie ik mijn trekken. Vandaag is zo’n dag dat ik terugblader in oude fotoboeken. En er zijn foto’s van ons, beide op ongeveer vijfjarige leeftijd. Je kunt mijn foto bekijken en dan Kleine Zoon mét staartjes zien, of zijn foto met mijn lach. En ook nu nog, zie je onmiskenbaar mijn gezicht in dat van hem om omgekeerd.

Ook de natuur spiegelt. Vandaag begint mistig en stil en zo voel ik me vanmorgen ook. Het verbaast me niks, als ik mijn horoscoop erop nasla, dat vandaag een dag is om stil te zijn en me zoveel mogelijk terug te trekken. Dat gaat niet lukken. Ik heb afspraken, moet werken. Dus na de momenten waarin ik ook weer gespiegeld word door collega’s en anderen, besluit ik om vóór het naar huis gaan een wandelingetje te maken door het bos.

Ik kom in eerste instantie langs een stromend beekje, dat uitmondt in een vijver met kunstwerken, en loop even later langs stilstaand water. Terwijl ik van de ene naar de andere plek wandel, mijmer ik wat over het werk en over de dingen waar ik tegenaan loop op dit moment. Ik realiseer me, misschien nu pas voor het eerst op gevoelsniveau, wat het betekent om mij te beperken tot hier en nu. Beperken klinkt misschien als iets negatief; voor mij is het evenwel positief: eenvoud, één ding tegelijk, alleen hier en nu.

En terwijl ik de eerste minuten van mijn wandeling nog heel wat spinsels heb gehad over werk en hoe dat nu moet, besluit ik ter plekke, diep in mijn buik, dat werk, werkgedachten en werkgevoelens alleen op het werk hoeven zijn. Hier en nu is het bos en stilstaand water. En die stilte en die leegte, of eigenlijk die vólheid, het Zijn van het stilstaande water, spiegelen mij. Werk is in een ‘split second’ uit mijn gedachten.

Hier en nu is er een doodstil bos: eiken, beuken, dennen en eindeloos veel bruine bladeren. En een vrouw die vijftien jaar geleden moeder werd en daar nu fijne gedachten over heeft, en warme gevoelens. En als ze dat spiegelt aan de natuur om haar heen, ziet ze plots -heel even- een zonnetje tussen de bomen schijnen.

Terugkeer naar liefde

Als onwillige kwartjes
in een snoepjesautomaat
blijven lessen doorvallen
tot de bodem waar

Bewegingen in de ziel
onverwacht gebracht
door verrassende ontmoetingen
met oude bekenden wachten

Liefde groeit
verspringend als treden
in een Lunapark
nooit lineair

Tot op de leeftijd der wonderen
de muren van het hart smelten
angst in vreugde verandert en
liefheeft in de zon

Omdat het morgen
voorbij kan zijn
is er nu vertrouwen in liefde
als cadeau aan het zelf

De meeste dromen zijn bedrog
met een kern van waarheid
en ontmoetingsplaatsen
van heden, verleden en toekomst

Van hak naar tak
dromen in de nacht
van een wilde wijze vogelvlucht
terugkeer naar liefde

Nachtelijke reizen
naar een nieuwe dageraad
met aan de horizon een regenboog
en een pot met goud gevuld